Hoe beweegt mijn paard?

 

Home

Toepassingen

Uitleg resultaten

Nieuwspagina

Gangen van een paard

Feedbackpagina

Aanvraag

Contact

 

Stap                                Draf                            Galop

STAP

Sequentie van voetstappen

Specifieke gangen worden herkend door de volgorde van het neerzetten van de hoeven. De sequentie van hoefslagen is de volgorde waarin de hoeven contact maken met de ondergrond. Elke gang heeft daarin zijn eigen specifieke patroon.

In de stap wordt een achterbeen altijd gevolgd door een voorbeen aan dezelfde zijde van een paard; een voorbeen wordt altijd gevolgd door het diagonale achterbeen.  Als we de afkorting LV (linkervoorbeen), LA (linkerachterbeen), RV (rechtervoorbeen) en RA (rechterachterbeen) en een dubbele punt : om de achtereenvolgende hoefslagen te onderscheiden, dan kan het patroon van hoefslagen in stap als volgt worden gepresenteerd:

LA : LV : RA : RV: LA : LV : RA : RV:

In het voorgaande patroon gaan we ervan uit dat het linkerachterbeen de pas initieert. In termen van patroon van hoefslagen maakt het echter niet uit met welk been we beginnen. Voor stap kan de patroon van bewegen ook op de volgende manier worden uitgedrukt:

·         LV : RA : RV: LA

·         RA : RV: LA : LV

·         RV: LA : LV : RA

Ritme

De timing van de hoefslagen door het paard bepaalt het ritme van zijn pas. De eerste component van het ritme is het aantal hoefslagen per cyclische beweging in een gang.  Een ander aspect van het ritme van de verschillende gangen is het tijd interval tussen de achtereenvolgende voetstappen. Als de tijdsintervallen tussen de achtereenvolgende voetstappen in één cyclische beweging gelijk zijn, wordt gezegd dat de gang een regelmatig ritme heeft. In andere gevallen is het ritme onregelmatig. N.B. niet te verwarren met een paard dat onregelmatig beweegt.

Het belang van regelmatigheid in de beweging is afhankelijk van de gang. De stap en de draf hebben een regelmatig ritme terwijl de galop (canter) een onregelmatig ritme heeft.

 

De stap heeft een 4-kwartsmaat, waarbij elke hoef apart contact maakt met de ondergrond.

De stap moet een regelmatige 4-takt gang zijn:

1 – 2 – 3 – 4 - 1 – 2 – 3 – 4 – 1 – 2 – 3 – 4 – 1 – 2 – 3 – 4 – 1 – 2 – 3 – 4 – 1 – 2 – 3 – 4 – 1 – 2 – 3 – 4 – 1 – 2 – 3 – 4 – 1 – 2 – 3 – 4

Onregelmatigheid in het stapritme is van significant belang in de dressuur. De meest voorkomende onregelmatigheid in stap is een kort interval tussen het neerzetten van het achterbeen en het voorbeen aan dezelfde zijde van het paard. Dit wordt dan gevolgd door een langer interval tussen het grondcontact van het voorbeen en het grondcontact van het diagonale achterbeen. Als het eerst grondcontact in stap een achterbeen betreft, dan wordt het ritme als volgt:

1 – 2 --- 3 – 4 --- 1 – 2 --- 3 – 4 --- 1 – 2 --- 3 – 4

Het ritme van deze hoefslagen kunnen worden getypeerd als laterale coupletten, hetgeen karakteristiek is voor een laterale stap of pacing walk. Sommige paarden tonen een andere vorm van onregelmatigheid in stap. Deze vorm heeft een lang interval tussen de hoefslagen van het achterbeen en het laterale voorbeen, gevolgd door een kort interval tussen de hoefslagen van het voorbeen en het diagonale achterbeen. Als het eerst grondcontact in stap een achterbeen betreft, dan wordt het ritme als volgt:

1 --- 2 – 3 --- 4 – 1 --- 2 – 3 --- 4 – 1 --- 2 – 3 --- 4 – 1 --- 2 – 3 --- 4 – 1 --- 2 – 3 --- 4

Dit is een diagonaal ritme en de hoefslagen vormen een diagonaal couplet. Dit ritme komt bij sommige dressuurpaarden voor, maar wordt minder vaak geconstateerd dan het laterale ritme.

 

Aantal hoeven op de grond

De ondersteuningsfase sequentie beschrijft het aantal benen dat het gewicht van het paard draagt tijdens de verschillende fasen van een pas. In het algemeen is een paard stabieler als het gewicht van het paard door een groter aantal benen wordt gedragen. Paarden hebben meer ondersteuning door hun benen nodig bij lagere snelheden. Deze stabiliteit wordt ondersteund door de hoef langer op de grond te laten staan. Het aantal hoeven/benen dat op de grond staat neemt als de snelheid toeneemt.

 

In elke cyclische beweging van de stap, zijn er acht ondersteuningsfases met een verandering van 2 en 3 benen. In de ondersteuningsfases in stap kunnen we de volgende fases onderscheiden namelijk bipedale ondersteuning (lateraal of diagonaal paar) en tripedale ondersteuning (2 achterbenen en één voorbeen of één achterbeen en twee voorbenen). Als wordt vergeleken met de uitgestrekte stap heeft de verzamelde stap langere intervallen van ondersteuning door drie benen en kortere perioden van ondersteuning door  twee benen.

 

3 : 2 : 3 : :2 : 3 : 2 : 3 : 2

LH-RV-RA : LA-RV: LV-LA-RV: LV-LA : RA-LV-LA : RA-LV : RV-RA-LV : RV-RA

 

Laatst bijgewerkt: 15 augustus 2011