|
Stap
Draf
Galop
STAP

Specifieke gangen worden herkend door de volgorde van het neerzetten van de
hoeven. De sequentie van hoefslagen is de volgorde waarin de hoeven contact
maken met de ondergrond. Elke gang heeft daarin zijn eigen specifieke patroon.
In de
stap wordt een achterbeen altijd gevolgd door een voorbeen aan dezelfde zijde
van een paard; een voorbeen wordt altijd gevolgd door het diagonale achterbeen.
Als we de afkorting LV (linkervoorbeen), LA (linkerachterbeen), RV
(rechtervoorbeen) en RA (rechterachterbeen) en een dubbele punt : om de
achtereenvolgende hoefslagen te onderscheiden, dan kan het patroon van
hoefslagen in stap als volgt worden gepresenteerd:
LA : LV : RA :
RV: LA : LV : RA : RV:
In het
voorgaande patroon gaan we ervan uit dat het linkerachterbeen de pas initieert.
In termen van patroon van hoefslagen maakt het echter niet uit met welk been we
beginnen. Voor stap kan de patroon van bewegen ook op de volgende manier worden
uitgedrukt:
·
LV
: RA : RV: LA
·
RA
: RV: LA : LV
·
RV: LA : LV : RA
De timing van de
hoefslagen door het paard bepaalt het ritme van zijn pas. De eerste component
van het ritme is het aantal hoefslagen per cyclische beweging in een gang. Een
ander aspect van het ritme van de verschillende gangen is het tijd interval
tussen de achtereenvolgende voetstappen. Als de tijdsintervallen tussen de
achtereenvolgende voetstappen in één cyclische beweging gelijk zijn, wordt
gezegd dat de gang een regelmatig ritme heeft. In andere gevallen is het ritme
onregelmatig. N.B. niet te verwarren met een paard dat onregelmatig beweegt.
Het belang van
regelmatigheid in de beweging is afhankelijk van de gang. De stap en de draf
hebben een regelmatig ritme terwijl de galop (canter) een onregelmatig ritme
heeft.
De stap heeft een
4-kwartsmaat, waarbij elke hoef apart contact maakt met de ondergrond.
De stap moet een
regelmatige 4-takt gang zijn:
1 – 2 – 3 – 4 - 1 – 2 –
3 – 4 – 1 – 2 – 3 – 4 – 1 – 2 – 3 – 4 – 1 – 2 – 3 – 4 – 1 – 2 – 3 – 4 – 1 – 2 –
3 – 4 – 1 – 2 – 3 – 4 – 1 – 2 – 3 – 4
Onregelmatigheid in het
stapritme is van significant belang in de dressuur. De meest voorkomende
onregelmatigheid in stap is een kort interval tussen het neerzetten van het
achterbeen en het voorbeen aan dezelfde zijde van het paard. Dit wordt dan
gevolgd door een langer interval tussen het grondcontact van het voorbeen en het
grondcontact van het diagonale achterbeen. Als het eerst grondcontact in stap
een achterbeen betreft, dan wordt het ritme als volgt:
1 – 2 --- 3 – 4 --- 1 –
2 --- 3 – 4 --- 1 – 2 --- 3 – 4
Het ritme van deze
hoefslagen kunnen worden getypeerd als laterale coupletten, hetgeen
karakteristiek is voor een laterale stap of pacing walk. Sommige paarden tonen
een andere vorm van onregelmatigheid in stap. Deze vorm heeft een lang interval
tussen de hoefslagen van het achterbeen en het laterale voorbeen, gevolgd door
een kort interval tussen de hoefslagen van het voorbeen en het diagonale
achterbeen. Als het eerst grondcontact in stap een achterbeen betreft, dan wordt
het ritme als volgt:
1 --- 2 – 3 --- 4 – 1
--- 2 – 3 --- 4 – 1 --- 2 – 3 --- 4 – 1 --- 2 – 3 --- 4 – 1 --- 2 – 3 --- 4
Dit is een diagonaal
ritme en de hoefslagen vormen een diagonaal couplet. Dit ritme komt bij sommige
dressuurpaarden voor, maar wordt minder vaak geconstateerd dan het laterale
ritme.
De ondersteuningsfase
sequentie beschrijft het aantal benen dat het gewicht van het paard draagt
tijdens de verschillende fasen van een pas. In het algemeen is een paard
stabieler als het gewicht van het paard door een groter aantal benen wordt
gedragen. Paarden hebben meer ondersteuning door hun benen nodig bij lagere
snelheden. Deze stabiliteit wordt ondersteund door de hoef langer op de grond te
laten staan. Het aantal hoeven/benen dat op de grond staat neemt als de snelheid
toeneemt.
In elke cyclische
beweging van de stap, zijn er acht ondersteuningsfases met een verandering van 2
en 3 benen. In de ondersteuningsfases in stap kunnen we de volgende fases
onderscheiden namelijk bipedale ondersteuning (lateraal of diagonaal paar) en
tripedale ondersteuning (2 achterbenen en één voorbeen of één achterbeen en twee
voorbenen). Als wordt vergeleken met de uitgestrekte stap heeft de verzamelde
stap langere intervallen van ondersteuning door drie benen en kortere perioden
van ondersteuning door twee benen.
3 : 2 : 3
: :2 : 3 : 2 : 3 : 2
LH-RV-RA :
LA-RV: LV-LA-RV: LV-LA : RA-LV-LA : RA-LV : RV-RA-LV : RV-RA
|